José Nuno Miranda
Artist in Residence 2025-2026

We zijn blij dat we in 2026 weer een artist in residence in ons midden mogen verwelkomen! Een blazer dit keer: hoornist en componist José Nuno Miranda (2004) uit Portugal. Ondanks zijn jonge leeftijd heeft Nuno een veelzijdige loopbaan. Hij begon met hoornlessen op tienjarige leeftijd en studeerde aan het Conservatorium van Braga. Sinds 2022 studeert hij in Amsterdam, waar hij hoornlessen volgt bij Jasper de Waal, José Sogorb Jover, Liz Hunfeld-Chell en Bart Aerbeydt (natuurhoorn). Als uitvoerend musicus speelde Nuno met onder meer het Remix Ensemble Casa da Música, het Amsterdam Symphony Orchestra, het Nationaal Jeugdorkest en het Orchestre National de Jeunes du Luxembourg. Sinds 2024 is hij vast lid van het Conical Brass Quintet in Amsterdam.
vv
Als componist ontwikkelde Nuno zijn vaardigheden bij Paulo Bastos in Braga en vervolgde hij zijn studie compositie aan het Conservatorium van Amsterdam bij Meric Artac, Richard Ayres en Maya Verlaak. Zijn werken, vaak gekenmerkt door humor en een originele invalshoek, zijn uitgevoerd door onder meer het Nederlands Kamerorkest, De Nationale Opera Academie, De Nationale Opera Studio en het Symfonieorkest van het Conservatorium van Amsterdam.Tijdens ons winterconcert op 25 januari soleert Nuno in het Hoornconcert op. 91 van Rheinhold Glière. Ook werkt hij momenteel aan een nieuwe compositie voor het Ad Hoc Orkest, die in juni 2026 in première zal gaan. We kijken hier erg naar uit!
Interview
Waarom heb je gekozen voor de hoorn als instrument? En zijn er andere instrumenten die je in het bijzonder aanspreken?
“Op vijf- of zesjarige leeftijd begon ik met slagwerklessen bij de plaatselijke muziekschool, waar ik erg enthousiast over was. Wat mij minder aansprak, waren de koor- en solfègelessen. Ik smeekte mijn moeder om mij weer uit te schrijven. Misschien is er die dag een groot percussionist aan mij verloren gegaan… Een paar jaar later, toen ik negen jaar was, kreeg ik de kans om bij diezelfde muziekschool alle instrumenten uit het symfonieorkest uit te proberen. De hoorn sprong er voor mij duidelijk uit en vanaf dat moment voelde ik me verbonden met dit instrument.
Instrumenten die mij met name aanspreken zijn de lage houtblaasinstrumenten, zoals de contrafagot en de basklarinet, en het slagwerk. Toch halen die het voor mij niet bij de hoorn.”
Wat betekent het hoornconcert van Glière voor jou? En welk deel is je favoriet?
“Voor mij is dit concert een ode aan het glorieuze verleden van de Oekraïense en Russische romantische muziek. Ondanks dat het werd gecomponeerd tijdens de hoogtijdagen van de Sovjetunie, voelt het alsof het hoort bij het werk van het zogenaamde ‘Machtige Hoopje’, een groep van vijf Russische nationalistische componisten van de late 19e eeuw. De uitdaging van dit concert zit hem in het brede spectrum van wat de muziek uitdrukt; van lange, delicate melodieën tot opzwepende, snelle loopjes die heel veel technische vaardigheid vragen, en alles hier tussenin. Als solist moet je in staat zijn om heel snel te wisselen tussen deze verschillende mindsets. Mijn favoriete deel is het tweede, omdat ik mijn instrument daarin het meest kan laten zingen. De kwetsbaarheid en intimiteit van dit deel raakt mij.”
Treed je vaker als solist op met amateurorkesten? Hoe is dat om te doen, zijn er dingen die dit extra uitdagend maken?
“Nee, dit is mijn eerste keer als solist voor een orkest. Ik verheug me er erg op! Tegelijkertijd is het ook best een uitdaging; ik ben gewend te spelen met een pianist, en die kan veel flexibeler zijn in tempo dan een orkest.”

Wanneer ben je begonnen met componeren? En wat maakt componeren zo leuk of speciaal voor jou?
“Ik ben begonnen met componeren toen ik veertien jaar oud was. Er zijn veel dingen die mij erin aanspreken: ik creëer iets dat voor die tijd nog niet bestond, en dat door niemand anders gemaakt zou kunnen worden. En ik vind het bijzonder dat iets dat dat ik geschreven heb, iets betekent voor anderen en mensen kan inspireren. Ook is componeren een continu proces van vragen stellen jezelf ontdekken, en ik ben altijd al een erg nieuwsgierige jongen geweest.”
Op welke van je composities ben je het meest trots, en waarom?
“Moeilijke vraag! Misschien mijn eerste werk voor orkest, ‘ZAP!’. Vanwege de ironie en maatschappijkritiek die erin verwerkt zijn, iets wat ik bij andere kunstenaars bewonder. En ook omdat het zo goed ontvangen werd door het publiek en de musici. Het was één van die werken waarbij de meeste ideeën vanaf het begin goed uitpakten, misschien vanwege het sterke ontwerp en het heldere klankidioom".
Kun je misschien al iets vertellen over het stuk dat je componeert voor het Ad Hoc Orkest?
“Sommige mensen vinden dat muziek voor kinderen eenvoudig moet zijn, en onschuldig moet klinken. Dat idee heb ik losgelaten en ik heb mij meer gericht op de rommelige, kliederige kant van kinderen: dat wat maakt dat ze op de muur tekenen en chocola over hun gezicht uitsmeren. Het wordt geen ‘perfect’ klassiek meesterwerk, maar het wordt wel leuk!”
.jpg)


