top of page

Meer over dirigent Hebe de Champeaux: klik hier voor het interview uit de Ad Hoc Nieuwsbrief mei 2025

Meer over José Nuno Miranda, onze Artist in Residence 2026: klik hier voor het interview uit de Nieuwsbrief van december 2025

Alexander Borodin (1833-1887)

In de Steppen van Centraal Azië
Allegro con moto

In de Steppen van Centraal-Azië is een van de meest sfeervolle orkestwerken uit de laat-romantische Russische muziek. Alexander Borodin componeerde dit symfonisch gedicht in 1880 ter gelegenheid van het zilveren jubileum van tsaar Alexander II. Met dit korte maar beeldende werk wilde Borodin niet zozeer een verhaal vertellen, maar vooral een muzikale impressie geven van een uitgestrekt landschap en een ontmoeting tussen culturen.

De muziek voert de luisteraar mee naar de oneindige steppen van Mongolië, verklankt door de hoge strijkers in langgerekte hoge noten. In de verte verschijnt een karavaan van Aziatische handelaren, reizend onder begeleiding van Russische soldaten. Borodin verbeeldt dit tafereel met twee duidelijk herkenbare thema’s. Het eerste is een eenvoudig, plechtig Russisch motief, dat stabiliteit en orde uitstraalt. Daartegenover staat een sierlijk, exotisch klinkend Oosters thema, vaak gespeeld door houtblazers en strijkers, dat de karavaan zelf lijkt te vertegenwoordigen.

Wat dit werk zo bijzonder maakt, is de manier waarop Borodin deze thema’s met elkaar verweeft. Ze klinken eerst afzonderlijk, alsof ze elkaar op afstand observeren, maar groeien geleidelijk samen tot een harmonisch geheel. Ondertussen zorgt een zacht pizzicato-ritme in de strijkers voor het gevoel van voortgaande beweging: het rustige, gelijkmatige voortschrijden van kamelen door het open landschap.

Borodins orkestratie is subtiel en kleurrijk. Zonder grote dramatische uitbarstingen weet hij een sfeer op te roepen van ruimte, rust en lichte melancholie. Aan het einde van het stuk vervaagt de muziek langzaam, alsof de karavaan weer in de verte verdwijnt en de steppe achterblijft in stilte.

In de Steppen van Centraal-Azië is daarmee een prachtig voorbeeld van programmamuziek: toegankelijk, beeldend en poëtisch. Het nodigt de luisteraar uit om even stil te staan, te luisteren en zich mee te laten voeren door Borodins muzikale landschap.

 

Reinhold Glière (1875-1956)

Hoornconcert in Bes groot, opus 91

Reinhold Glière (1875–1956) was - in tegenstelling tot wat zijn achternaam doet vermoeden - een Duits-Poolse componist die zijn hele leven trouw bleef aan de rijke, laatromantische klanktaal, zelfs toen de muzikale mode in de twintigste eeuw sterk veranderde. Geboren in Kiev (toen keizerrijk Rusland) en werkzaam in Rusland en de Sovjet-Unie, bouwde hij een indrukwekkend oeuvre op met symfonieën, balletten, concerten, toneelmuziek en zelfs filmmuziek. Glière had een uitgesproken talent voor melodie en orkestrale kleur, en precies die kwaliteiten maken zijn muziek tot op vandaag geliefd bij musici én publiek.

Een schitterend voorbeeld daarvan is het Hoornconcert in Bes groot, opus 91, gecomponeerd in 1951. Dit concert behoort tot de absolute kern van het hoornrepertoire en wordt wereldwijd regelmatig uitgevoerd. Glière schreef het werk met een diep begrip van het instrument: de hoorn klinkt hier warm, nobel en soms bijna vocaal, alsof hij zingt in lange, vloeiende lijnen. Tegelijkertijd vraagt de solopartij om grote technische beheersing, met hoge passages, snelle loopjes en grote sprongen.

Het concert bestaat uit drie delen die verschillend van karakter zijn maar toch erg goed bij elkaar passen. Vanaf de eerste maten van het openingsdeel valt de lyrische toon op: geen agressieve virtuositeit, maar een open, heroïsch karakter dat perfect past bij de natuurlijke klank van de hoorn. Onze solist Nuno componeerde voor dit deel zelf een cadenza (een virtuoze solo waarin thematisch materiaal uit het hele concert verwerkt is en die het orkest terug leidt naar de reprise van het eerste thema). Het middendeel, dat in een driedelige maatsoort staat, is intiem en dromerig, terwijl het slotdeel na een statig intro van het koper, speels en energiek is, met momenten van bravoure (waarvoor ditzelfde koper, maar zeker ook de slagwerksectie verantwoordelijk gehouden kan worden) die het publiek ongetwijfeld zullen meeslepen. 

Glières Hoornconcert is muziek die direct aanspreekt. Het combineert technische glans met oprechte emotie en laat de hoorn schitteren in al zijn facetten. Juist daardoor blijft dit werk, meer dan zeventig jaar na zijn ontstaan, een favoriet op het concertpodium.

 

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski (1840-'93)

Symfonie nr. 1, opus 13 (1866-1868)
Winterdromen

Toen de Russische componist Tsjaikovski in 1865 aantrad als theoriedocent aan het conservatorium in Sint Petersburg was hij kersvers als één van de eersten afgestudeerd aan dat net in 1862 opgerichte instituut. De oprichter, pianist en componist Anton Rubinstein, was zijn leraar in compositie en orkestratie. Nikolai Zarembra voor muziektheorie.

Rubinstein zelf had in het Westen gestudeerd en wilde met de oprichting van het conservatorium het eigen, binnenlandse talent stimuleren, waar voorheen veelal buitenlandse musici en componisten de smaak van het rijk bepaalden.

Van Rubinstein en de andere docenten had Tsjaikovski een gedegen opleiding gekregen en hij was klaar om dat te bewijzen aan het Russische (en Westerse) publiek. En de beste manier, vond hij, was het schrijven van een symfonie.

 

Symfonie No.1, Op.13 (1866-68)

Zijn docent en mentor Rubinstein had grote successen gevierd met zijn piano concerten en symfonieën ‘in russische stijl’, maar werd bekritiseerd dat hij eigenlijk gewoon Westerse muziek (d.w.z. Duits, in de trant van Beethoven en Mendelssohn) schreef met een Russisch sausje erover.

Tsjaikovski had daarom grote moeite met enerzijds innovatie en een echte Russische identiteit van zijn muziek, en anderzijds de verwachting van de gevestigde orde dat deze aan de formele regels van de Westerse muziek moest voldoen.

Pjotr’s broer Modest schreef dat de compositie van dit werk hem ‘meer pijn en moeite en vernedering kostte dan elk ander werk’. De slechte reviews van uitvoeringen van zijn eindexamenwerk (een cantate) hadden Tsjaikovski's zelfvertrouwen geen goed gedaan en hij stortte zich volledig op het componeren van zijn nieuwe symfonie. Dag en nacht zelfs, tot hij door de dokter werd gesommeerd om rust te nemen.

Toen hij echter zijn eerste probeersel voorlegde aan Rubinstein en Zaremba waren deze negatief en kwamen met een waslijst aan aanpassingen die nodig zouden zijn om het werk geschikt te maken voor een uitvoering.

Zelfs nadat Tsjaikovski deze wijzigingen had doorgevoerd vonden ze alleen het Adagio en Scherzo geschikt. Deze delen werden eind 1866 uitgevoerd in Moskou, maar vonden geen bijval.

Tsjaikovski was zo gedesillusioneerd door de reactie van het publiek en de kritiek van zijn docenten dat hij besloot alle wijzigingen en opgedrongen aanpassingen weer te verwijderen, met uitzondering van het 2e thema van het eerste deel. Hij was de notities waar het origineel op stond kwijt en moest dus genoegen nemen met wat Zaremba had goedgekeurd.

In februari 1868 werd het werk in deze versie uitgevoerd in Moskou door vriend Nikolai Rubinstein (jongere broer van..) en dat was een groot success.

Tsjaikovski zou later schrijven dat dit werk hem er toe dwong om niet slaafs de formele Westerse regels en eisen te volgen maar dat hij zijn eigen weg moest gaan.

In 1874 maakte Tsjaikovski een grondige revisie van de symfonie, als voorbereiding voor publicatie. Hij verving het thema van Zaremba door een nieuw geschreven, eigen thema en maakte wat kleinere aanpassingen aan de andere delen. Dit is de standaard versie die tegenwoordig uitgevoerd wordt.

De symfonie bestaat, zoals traditioneel gebruikelijk, uit 4 delen:

  1. Dromen van een Winterreis

  2. Land van somberheid, land van mist

  3. ​Scherzo

  4. Finale​

Het eerste deel geeft de symfonie zijn bijnaam ‘Winterdromen’. De manier waarop Tsjaikovski het eerste thema in de fluit en fagot introduceert lijkt verdacht veel op de manier waarop Rubinstein in zijn 2e symfonie (ook ooit gespeeld door het Ad Hoc) zijn thema introduceert.

Het 2e deel gebruikt een melodie uit een eerder werk van Tsjaikovski, het toongedicht ‘De Storm’. Tsjaikovski schreef dit tijdens een zomervakantie in 1864. Maar hij was niet tevreden en het werd nooit gepubliceerd tijdens zijn leven. Tsjaikovski gebruikte materiaal uit dit werk in 1865 ook voor een ouverture, maar ook die werd nooit uitgevoerd of gepubliceerd.

Deel 3 is gebaseerd op het scherzo uit een pianosonate die hij tijdens zijn studie als oefening componeerde. Het oorspronkelijke middengedeelte verving hij door een wals, een muziekvorm die hij later veel in zijn balletten zou gebruiken. Je kunt al een beetje de Notenkraker of het Zwanenmeer horen.

De finale gebruikt een Russisch volksliedje ‘Распашу ли я млада, младeшенка’, wat zoveel betekent als ‘zal ik zaaien, jongen?’, in zowel de introductie als in het 2e thema. In dit deel wordt het orkest versterkt met 3 trombones en een tuba.

 

logobreed.jpg

© Ad Hoc Orkest Utrecht 2019-2026

bottom of page